Antistoffen zijn de bewakers van ons lichaam: ze sporen indringers op en ruimen ze op. Bij Waldenström zijn er twee belangrijk: IgG en IgM.
IgG
IgG is de talrijkste antistof en heeft de vorm van een letter Y. Bij mij zijn er veel meer dan normaal, want mijn kankercellen maken vooral IgG aan. Die extra exemplaren zijn beschadigd en werken niet goed. Gezond IgG onthoudt welke infecties je eerder had, zodat het diezelfde boef er later snel uit pikt. Heb je te weinig goed IgG, dan ben je vatbaarder voor infecties.
IgM
IgM is de grootste antistof: vijf Y’en aan elkaar, als een wagenwiel. Het is het snelst ter plaatse bij een infectie. Bij de meeste mensen met Waldenström is juist het IgM verhoogd; bij mij is dat anders, mijn ziekte maakt vooral IgG aan en mijn IgM is door de jaren heen juist wat gedaald. Bij een sterk verhoogd IgM kan het bloed te dik worden (hyperviscositeit).
De gekleurde banden tonen het normale referentiegebied (IgG 7–16, IgM 0,4–2,3 g/L). Beweeg over een punt voor de exacte datum en waarde.